Naar Home-page
Naar Home-page
  • Facebook
  • Instagram
  • Foto's
  • Video's
  • Archief
  • Winkel
  • Contact
  • Raad van Beheer
  • Kalender
  • Login
Maarten Kappen, dierenarts

Auteur: Maarten Kappen, dierenarts

De laatste jaren worden wij ook bij de fokkerij van Drentsche Patrijshonden in toenemende mate geconfronteerd met klachten over het niet drachtig worden van teven, het werpen van te kleine nesten en in mindere mate met doodgeboren pups of pups die kort na de geboorte alsnog dood gaan. Zeker grote kennels met veel externe contacten (door show, training of anderszins) lijken hiermee te maken te hebben: het lijkt er soms op dat rond de 50% van deze kennels hier last van heeft. Waarschijnlijk is zo’n kennel dan besmet.

Vaak heeft het ziektebeeld een wat slepend en wisselend karakter. Het is niet zo dat de kennel in een keer volledig ziek is en men dan in die periode niets fokt, maar gedurende een langere perioden (soms wel enige jaren) zijn er voortdurende klachten van leeg blijvende teven (met af en toe een uitzondering hierop). Uiteindelijk, al dan niet na het nemen van een aantal maatregelen, verbetert het vaak wel. Het hier geschetste beeld zou kunnen passen bij een Herpes Canis ofwel Canine Herpes Virus infectie. Ook een aantal andere oorzaken kunnen hiervoor worden aangemerkt, echter gezien de actualiteit en het veelvuldig voorkomen beperken we ons hier tot de herpes-virus infectie.

Wat is Canine Herpes Virus (CHV)?

Het is een wereldwijd voorkomend DNA-virus dat gevoelig is voor allerlei invloeden zoals temperatuur, zuurgraad en desinfectiemiddelen. Typisch is het gegeven dat de groei optimaal is bij een temperatuur van 34-35 oC, hetgeen verklaart waarom de slijmvliezen van neus, oog, mond en uitwendige geslachtsorganen primaire plaatsen van infectie en vermenigvuldiging van het CHV zijn. Bij temperaturen van 40 oC of hoger is het virus instabiel. In tegenstelling tot bijvoorbeeld het Parvo virus, leeft het Herpes virus niet lang buiten het lichaam. De meeste desinfecterende middelen werken goed tegen CHV.

Besmettingswegen

Deze bovengenoemde eigenschappen maken het directe contact (in de meeste gevallen door snuffelen en likken) de belangrijkste besmettingsweg. Bij pups kan dit directe contact gebeuren tijdens de uitdrijving door het geboortekanaal of in het nest via contact met de uitvloeiing van de moederhond. Ook een dekking is, hoewel in mindere mate, een besmettingsmogelijkheid omdat hierbij steeds slijm met cellen waarin het virus zich bevindt, wordt overgedragen.
De incubatietijd (de tijd tussen de infectie en de eerste verschijnselen) is 6 tot 10 dagen. Na infectie blijft de neusuitvloeiing tot 15 dagen en de vaginale uitvloeiing en het sperma tot 20 dagen besmettelijk voor anderen. Er kan ook een besmetting door het virus optreden in de baarmoeder door passage via de vruchtvliezen van de moeder naar de embryo's, foetus of pups.

Dragerschap

Herpesvirussen komen bij veel diersoorten voor maar de verschillende virussen zijn meestal diersoortspecifiek; zo ook het CHV. De meeste herpessoorten (waaronder het CHV) hebben de mogelijkheid om de gastheer/gastvrouw voor het leven te infecteren, waarbij de symptomen dan periodiek terug kunnen komen; bijvoorbeeld in tijden van verminderde weerstand. Een bekend voorbeeld hiervan is de bij mensen voorkomende koortslip (Herpes Simplex).

Is het dier eenmaal geïnfecteerd dan kan het drager worden van het CHV dat zich in de 'rusttoestand' schuil houdt in bepaalde delen van het zenuwstelsel (ganglia), de tonsillen (amandelen) of de speekselklieren. Als zich bepaalde stresssituaties voordoen kan het virus zich vanuit deze plaatsen naar de slijmvliezen van neus, mond, oog of geslachtsorganen uitbreiden. Hierdoor wordt de drager besmettelijk voor anderen via de wegen zoals hierboven aangegeven. Bij teven is dit het geval in de laatste 3 weken van de dracht en de eerste 3 weken na het werpen of wanneer ze loops zijn. Ook gebruik van medicijnen die de afweer onderdrukken zoals corticosteroïden (bijvoorbeeld prednison) kunnen leiden tot re-activatie van het herpes virus. Echter, het is niet zo dat alle geïnfecteerde dieren persé drager van het virus worden!

Gevolgen van CHV infectie

Verreweg de meeste dieren worden dus tijdens hun leven besmet zonder dat je er iets van merkt. Men spreekt dan van een zogenaamde subklinische infectie. Dat is enerzijds prettig omdat er geen ziekteverschijnselen ontstaan, maar anderzijds lastig omdat hierdoor uitwendig niet goed vast te stellen is in hoeverre CHV zich in een populatie verspreid heeft. Gevoegd bij het levenslang dragerschap bij sommige honden, met af en toe opflikkeringen, krijg je binnen een populatie een situatie die vergelijkbaar is met een ijsberg: het topje boven water kun je zien, maar het grootste gedeelte blijft onzichtbaar onder water.

De gevolgen van CHV bij de hond zijn in een viertal groepen onder te verdelen:

  1. De pupsterfte groep, zoals hieronder verder beschreven: dit is de meest schadelijke vorm.
  2. Ook kunnen beschadigingen op het slijmvlies van vagina of penis en voorhuid ontstaan bij recent geïnfecteerde honden. Meestal gaat het hier om blaasjes en bloedinkjes in het slijmvlies welke met de vaginoscoop goed zichtbaar zijn. De honden zelf hebben hier in het algemeen geen last van.
  3. Het CHV kan een onderdeel zijn van het kennelhoest syndroom. Dit syndroom is een complex van verwekkers en factoren die ontsteking van de voorste luchtwegen bij de hond kunnen opwekken. Het CHV speelt hierbij waarschijnlijk een ondergeschikte rol, maar als besmettingsweg via neus en mond door likken, snuffelen en hoesten is dit nogmaals wel de belangrijkste.
  4. CHV wordt genoemd als veroorzaker van vruchtbaarheidsproblemen, zoals leeg blijven door infectie in een vroeg stadium van de dracht, vroeg embryonale sterfte door infectie in een iets later stadium en te kleine nesten. Dit is de vorm waarvoor in wetenschappelijk onderzoek nogal wat aanwijzingen worden gevonden hoewel directe bewijzen nog niet gevonden zijn. Mogelijk bevordert het CHV in dit verband ook andere verwekkers van vruchtbaarheidsproblemen.

Wat zien we bij de pups?

In geval van besmettingen bij pasgeboren pups zien we dat de meeste pups bij het begin van de infectie 1 week oud zijn. Op deze leeftijd leidt besmetting tot de dood binnen een aantal dagen. De pups hebben het veelal in het begin heel goed gedaan, ze groeien goed en zijn veelal de zwaarste. Dan stoppen ze plotseling met drinken en vertonen lusteloosheid. Verschijnselen van luchtwegproblemen zoals met open bek ademen, benauwdheid, speekselen, en waterige neusuitvloeiing kunnen optreden. Ook braken en zachte grijs-gele of groene ontlasting kunnen zich voordoen. Typisch is uiteindelijk het doordringend en continu geschreeuw , soms gepaard gaande met fietsbewegingen en andere neurologische verschijnselen. Bij aanraking is de buik pijnlijk. Als pups ouder dan 2 á 3 weken zijn en dan geïnfecteerd worden, heeft dit meestal geen fatale afloop. Luchtwegproblemen, zenuwverschijnselen, blindheid en doofheid kunnen dan wel optreden. Op nog latere leeftijd geschiedt de infectie net als bij de volwassen honden meestal zonder dat men er iets aan merkt.

Waarom zijn pups zo gevoelig voor CHV?

De belangrijkste redenen voor de gevoeligheid bij zeer jonge pups (<10 dagen) is enerzijds het nog relatief gebrekkig ontwikkelde vermogen om zijn eigen lichaamstemperatuur te reguleren en anderzijds het nog incompleet ontwikkelde afweersysteem. We weten dat binnen een nest de ene pup meer afweerstoffen binnenkrijgt dan de andere, zodat een CHV besmetting niet altijd betekent dat alle pups verschijnselen gaan vertonen. Uit onderzoek blijkt overigens dat het kunstmatig verhogen van de lichaamstemperatuur bij inmiddels zieke pups (helaas) geen enkele effect heeft.

Vaststellen van de infectie

Een van de mogelijkheden om objectief een CHV-infectie vast te stellen bestaat uit een meting van de antistoffen tegen CHV in het bloed van de hond via de ELISA-methodiek. Echter, er zijn vele invloeden op het ontstaan en op de hoogte van de antistoftiter . Sommige honden geven na besmetting geen of nauwelijks antistoftiter te zien en bij anderen blijft hij jaren aanwezig. Als je een titer vind bij een hond en er bestaat geen geschiedenis van vruchtbaarheidsproblemen dan wil dit alleen maar zeggen dat deze hond ooit met CHV in aanraking is geweest. Het zegt niets over eventuele problemen die zouden kunnen ontstaan in de toekomst met deze hond. Als je geen titer vind is het meestal zo dat de betreffende hond niet in aanraking is geweest met CHV. Echter zoals aangegeven, kunnen sommige honden ondanks besmetting en dragerschap toch geen titer vormen.

Uit onderzoek blijkt dat ook een aantal omgevingsfactoren invloed hebben op de hoogte van deze titer: de kennelgrootte, het gebrek aan hygiëne en het voorkomen of gehad hebben van kennelhoest zijn allemaal factoren die een verhogende invloed hebben op de titer. Bij teven blijkt leeftijd en fase in de cyclus een factor te zijn, bij reuen dek-ervaring. Er is wel aangetoond dat er in probleemkennels een relatie bestaat tussen het percentage verwerpers en de hoogte van de titers.

Resumerend kun je zeggen dat de interpretatie van bloedwaarden lastig is. Je kunt in het algemeen wel stellen dat teven die geen aantoonbare antistoftiter hebben, en die ingebracht worden in een kennel waar CHV aanwezig is, mogelijk risico lopen op vruchtbaarheidsproblemen.

Een andere mogelijkheid is het direct aantonen van virus DNA in neusswabs of vaginaalslijmvliesswabs. Dit is onder praktijkomstandigheden erg lastig aan te tonen en gezien de relatieve korte periode van virusuitscheiding niet handig.

De duidelijkste methode om een infectie (weliswaar achteraf) vast te stellen, is het sectiebeeld van pups die bij of snel na de geboorte gestorven zijn. Doordat het CHV een affiniteit heeft met bloedvaten ontstaan her en der in de organen bloedingen. Vooral in de nieren leidt dit tot een uitgesproken beeld. Ook longen, milt, leven, lymfknopen, en hersenen kunnen bloedingen vertonen. Men kan het virus via verdergaand laboratoriumonderzoek in deze organen aantonen bij het dode dier.

Wat is eraan te doen?

Onderscheid moet worden gemaakt hierbij tussen 1. het individuele zieke dier en 2.de totale kennel met reproductieproblemen.

Individuele dier

In geval van zieke pups zijn alleen algemene ondersteunende maatregelen te geven, zoals het op peil proberen te houden van vocht- en energiebalans en lichaamstemperatuur. Vooral voor de nog niet zieke nestgenoten heeft het verhogen van de omgevingstemperatuur wellicht enige zin. Gezien de besmettelijkheid voor anderen dienen deze pups (met hun moeder) gescheiden worden gehouden van andere honden (zie ook hieronder). Tijdens de behandeling van deze pups moet er goede hygiëne in acht worden genomen. Volwassen honden hebben meestal asymptomatisch verlopende infecties; daar wordt geen behandeling voor gegeven, als je deze infecties al kunt vaststellen.

Kennels

In geval van een kennelsituatie, waarbij problemen met de vruchtbaarheid of puppysterfte aanwezig zijn en waarbij CHV is aangetoond, zijn een aantal zaken van belang:

  • Goede algemene hygiëne vermindert de besmettingsdruk niet alleen van CHV doch ook van andere ziekteverwekkers: goed reinigen en desinfecteren van de omgeving is belangrijk .
  • Met behulp van bloedonderzoek kan men vaststellen of er CHV-titers aanwezig zijn. Zo ja, dan is een CHV-besmetting waarschijnlijk.
  • Dode pups moeten eigenlijk altijd ter sectie worden aangeboden om te bepalen wat de doodsoorzaak was.
  • Voorkomen van directe besmetting door de drachtige teven vanaf 3 weken voor het werpen tot het moment van het spenen van de pups, apart te huisvesten en van de overige honden gescheiden te houden.
  • Kunstmatige inseminatie beschermt alleen reuen en geen teven! Het sperma is altijd in contact geweest met het slijmvlies van de penis, en dus potentieel besmettelijk voor de teef. Een dragerteef echter vormt voor de reu dan geen risico.
  • Een keizersnede bij de moeder reduceert het besmettingsrisico bij de pups in geval van een virusdragende moeder
  • Vermijden van stress! Stressfactoren zijn onder andere de grootte van de kennel, de besmetting met andere verwekkers van kennelhoest, de introductie van veel nieuwe dieren (wat dikwijls gebeurt wanneer de kennel ook nog een pensionfunctie heeft), het gesleep met de honden voor shows, dekkingen etc.
  • Het preventief enten van de teven waarmee gefokt wordt: een goede mogelijkheid die sinds kort bestaat.

Het identificeren van dragers en besmettelijke honden is lastig zoals hierboven is aangegeven en dus is het isoleren en uitplaatsen van deze honden in de praktijk nauwelijks een optie.

Het preventief enten

Het doel van het enten is het beschermen (voorkomen van sterfte) van de pups door het afweerniveau tegen CHV bij de moeder te verbeteren. De teef geeft via de biest (=moedermelk) de afweerstoffen tegen allerlei ziekteverwekkers, waaronder CHV, vanaf de 1e dag na de geboorte aan de pups door. In het algemeen is er een goede relatie tussen de hoogte van de afweertiter bij de moeder en de hoogte van de verkregen afweer bij de pup als ze, vooral tijdens de eerste dagen, voldoende moedermelk hebben gedronken.

Bovendien is aangetoond dat in een geïnfecteerde omgeving het enten leidt tot zowel een hoger percentage drachtige teven als een lager percentage doodgeboren pups. Ook stijgt door enting (volgens de fabrikant van het entmiddel) het gemiddelde geboortegewicht en de nestgrootte.

Entschema

De teef waarmee gefokt wordt ontvangt de eerste enting in de periode tijdens de loopsheid tot maximaal 10 dagen na dekking. De tweede enting wordt gegeven een tot twee weken voor het werpen. Het is de vraag of de tweede enting gegeven moet worden als bij echo-controle op 4 weken blijkt dat de teef leeg is. Bij elke volgende dekperiode van deze teef dient hetzelfde entschema aangehouden te worden.

Resumerend en praktisch van belang

Samenvattend kan gesteld worden dat:

  • het CHV wijdverbreid is
  • het lastig diagnostisch in kaart te brengen is
  • het niet of nauwelijks door de dekreu verspreid wordt
  • het aanwezig blijft bij dragers
  • het bij zieke pups niet of moeilijk te behandelen is

Wel is het zo dat het in probleemkennels preventief te beheersen is door enting van de fokteven en het nemen van hygiënische maatregelen. Uitroeiing van CHV is op dit moment niet mogelijk, beheersing wel!

Adres

Bosweg 2
3651 LV Woerdense Verlaat
+31 172 409 437
secretaris

Vereniging "De Drentsche Patrijshond"

  • opgericht 5 Juni 1948

  • Koninklijk goedgekeurd, laatstelijk bij Koninklijk Besluit d.d. 28 augustus 1975

  • Erkend door de Raad van Beheer

  • Inschrijfnummer Kamer van Koophandel te Enschede (Ov.) onder nr. 40075145

De vereniging heeft als doel:

  • De instandhouding en verbetering van de Nederlandse staande jachthond de Drentsche Patrijshond, haar karakter, jachteigenschappen en verschijning, als omschreven in de rasstandaard

  • Het bevorderen van de gezondheid en het welzijn van de tot het ras behorende honden

  • Het bevorderen van het contact tussen fokkers, jagers en liefhebbers van Drentsche Patrijshonden