Naar Home-page
  • Facebook
  • Instagram
  • Archief
  • Winkel
  • Foto's
  • Video's
  • Contact
  • Blogs
  • Raad van Beheer
  • Kalender
  • Login

Maarten KappenBron:    Onze Hond 12/2004
Auteur: Maarten Kappen

Er wordt in de kynologie enorm veel gesproken over voeding en er wordt ook erg veel over gefantaseerd. Op basis van individuele ervaringen worden algemene regels uitgesproken die meestal nauwelijks ergens op gebaseerd zijn. Ook de eeuwige tweestrijd tussen droogvoer en al dan niet diepgevroren op vers vlees gebaseerd voer is hiervan een voorbeeld.
Bovendien moeten we ons realiseren dat de behoeftepatronen van de diverse honden sterk uiteen kunnen lopen: we hebben verschillen in ras, verschillen in het gebruik van de hond, verschillen in levensfase waarin de hond zich bevindt en verschillen in gezondheid, conditie en activiteit.
Verder heeft een hond een eigen smaak en reuk waarmee rekening gehouden moet worden. En wat te denken van het gevoel van de baas die het voer toedient? Voer dat niet prettig ruikt voor ons als baasje, en er tevens niet goed uitziet, maakt ook veel minder kans. De bedoeling van dit artikel is u een inzicht te geven in het waarom van de samenstelling van het hondenvoer. Daarnaast zal ik het voer bespreken van een tweetal verschillende groepen honden en van de hond met de voedingsallergie. Ook een aantal praktische zaken met betrekking tot het voeren zullen de revue passeren.

Historie: van 'leftovers' naar gespecialiseerd voedsel

In het verleden had de hond een heel andere plaats in onze samenleving dan tegenwoordig. Dat uitte zich onder andere in de manier waarop de hond gevoed werd, of beter gezegd, zichzelf voedde. Veelal met afval dat hij zelf vond in en rond het huis, grotendeels resten van het voedsel van de mens of andere erfdieren. Tegenwoordig is voeding van de hond een wereldwijde miljardenindustrie die zich steeds verder ontwikkelt en waarbij een toenemende hoeveelheid verschillende voeders wordt verkocht. De prijs hiervan is voor veel mensen steeds minder een issue; we hebben veel over voor een goede voeding van ons huisdier.

Wat is de wetenschappelijke basis van een goede hondenvoeding?

Het standaardwerk waarin de voorwaarden zijn terug te vinden waaraan goed hondenvoer moet voldoen is het boek 'the Nutrient Requirements of Dogs' uitgegeven door de (Amerikaanse) National Research Council, Commission on Animal Nutrition.

In dit boek zijn een groot aantal minimumeisen qua hoeveelheden en kwaliteit van voedingsstoffen gedefinieerd. Zoals het percentage eiwit, koolhydraten en vet per gewichtseenheid droge stof. Maar ook vitaminen en mineralengehaltes. Echter, door de sterk variërende opbouw van de hondenpopulatie (jong/oud, klein/groot, groeiend/niet meer groeiend, lacterend/niet lacterend, veel of weinig beweging etc.) is dit niet meer dan een richtlijn. Deze grote verscheidenheid is overigens ook een belangrijke reden waarom zoveel verschillende typen voer op de markt gebracht worden.
Bij de 1e uitgave in 1985 werd met die variërende opbouw geen rekening gehouden, bij de laatste van 2003 wordt al wel een onderscheid gemaakt naar activiteitsniveau en levensfase. Daarnaast houdt ook de Association of American Feed Control Officials (AAFCO) zich bezig met richtlijnen voor enerzijds onderhoudsvoer en anderzijds voor puppies, drachtige- en lacterende teven.

Deze inzichten zijn verkregen door onderzoek. Er zijn vele universiteiten, instellingen en bedrijven die onderzoek verrichten naar voeding van de hond. Dit is een voortgaand proces, waarvan veel nog onvoldoende bekend is. Belangrijk is hierbij op te merken dat bij de meeste onderzoeken wordt gekeken naar de effecten op korte of op middellange termijn. Vergelijkingen van verschillende samenstelling in relatie tot de levensduur van de hond zijn er nog zeer weinig gedaan.
We gaan er hierbij van uit dat wat goed is op korte termijn, ook op lange termijn het beste zal zijn. Of dit altijd zo is blijft hierbij de vraag. Een andere insteek voor wat betreft de samenstelling is uit te gaan van de theoretische energie behoefte van de hond die afhankelijk is van de basisstofwisseling (BS). Dat is de hoeveelheid voedingsmiddelen en energie die nodig is om het lichaam op een basisniveau te laten functioneren ofwel te laten overleven met minimale activiteit. De benodigde energie is afhankelijk van het gewicht van de hond en het warmteverlies. En deze laatste is weer afhankelijk van het lichaamsoppervlakte.

Zoals duidelijk mogen zijn hebben kleine honden een groter lichaamsoppervlakte per kg lichaamsgewicht. Met andere woorden: kleine honden hebben, als ze helemaal niets doen, meer energie nodig dan grote honden die niets doen. Men spreekt dan ook wel over het metabool gewicht als eenheid van verbruik die rekening houdt met beide factoren. Een normale huishond verbruikt door zijn dagelijkse activiteit ongeveer een energiehoeveelheid van 2x de BS. Honden in de groei, drachtige honden, of zogende teven, maar ook sport- of jachthonden, welke veel lichaamsbeweging hebben verbruiken veel meer. Dit kan oplopen tot wel 8x de BS!

natvoerdroogvoer

Droogvoer of natvoer op vleesbasis?

Er vanuit gaande dat gehaltes bij beide typen voer voldoen aan de hierboven genoemde eisen, is er een aantal belangrijke verschillen tussen beiden. Allereerst natuurlijk het vochtgehalte; is dit bij droogvoer rond de 10%, bij natvoer (blik, diepvries) rond de 60%. Vergelijkingen moet men dus altijd maken per eenheid droge stof! Bij natvoer heeft men het praktische nadeel van meer volume te moeten opslaan, al dan niet ingevroren. Eenmaal ontdooid is de houdbaarheid kort. Voordeel is dat de smakelijkheid van natvoer in het algemeen prima is. De smakelijkheid van de betere droogvoeders geeft overigens ook geen problemen. De bewering dat de honden op natvoer 'het beter doen' dan op droogvoer is (helaas) nooit door middel van objectief onderzoek onderzocht, en wordt door de praktijk mijns inziens ook voldoende ontkracht.
Een vergelijkend warenonderzoek tussen nat en droog, en droog onderling zou een goed idee zijn, de praktische uitvoerbaarheid is echter zeer lastig, gezien het totaal niet uniform zijn van de hondenpopulatie.

Voorbeelden van voedingsaanpassing in de verschillende levensfases

Een bijzondere uitdaging voor een perfecte voersamenstelling is die van de pups van de grote rassen. Een gewichtstoename vanaf 2,5 maand tot 6 maanden van meer dan 200 gram per dag zonder het optreden van groeistoornissen vereist een uitgebalanceerd voerregiem. Drie factoren zijn hierbij van bijzonder belang:

  1. De hoeveelheid energie die gevoerd word, dus energiegehalte van het voer én de voerhoeveelheid mag niet onbeperkt zijn
  2. De calciumgift per droge stof eenheid mag iets verlaagd zijn ten opzichte van onderhoudsvoer
  3. Het gebruik van kraakbeenbeschermende factoren heeft een positief effect op het voorkomen van groeistoornissen in de gewrichten.

Vroeger (en door sommigen ook vandaag de dag) werd gedacht dat een hoog eiwit gehalte in het voer kon leiden tot uitgebreide groeistoornissen zoals standafwijkingen, ocd en groeipijnen. Door onderzoek (onder andere in Utrecht door Dr.Nap) is gebleken dat dit effect er niet is. Een zekere minimale behoefte is er echter wel. En natuurlijk speelt de kwaliteit van de eiwitsamenstelling ook een rol. Het voeren van een hoogenergievoer ad libitum (zoveel als ze maar willen, voer continu aanwezig) leidt wel in een groot aantal van de gevallen tot het optreden van uitgebreide groeistoornissen.
Beperkt voeren gaf in een aantal onderzoeken significant minder problemen met hypertrofische osteo dystrofie (HOD, een aandoening met pijnlijke zwellingen boven en onder de gewrichten) enostosis (een botaandoening die kreupelheid bij honden in de groeifase veroorzaakt), radius curvus syndroom (RCS, een misvorming van de onderbenen waarbij de ondervoet naar buiten draait en de onderbenen naar voren buigen), en elleboogdysplasie (ED). Het onderzoek is met name gedaan bij Duitse Doggen.

Resumerend moet goed voer voor deze categorie honden dus het volgende bevatten:

  • een gelimiteerde hoeveelheid energie bevatten (dwz. een niet hoog vetgehalte!)
  • een optimale calcium-fosfor verhouding met een iets verlaagd calcium gehalte
  • een gemiddeld eiwitgehalte.

Hierbij gaan we uit van een kwalitatief goed eiwit, dat betekent met een aminozuursamenstelling zoals voor de hond optimaal is. Bepaalde kraakbeenbeschermende factoren (chondroïtinesulfaat en glycosaminoglycanen) kunnen hierbij door het voer gemengd zijn of eventueel bijgegeven worden.

Voer voor de oudere hond: de senior

oudedrentMet het vorderen van de leeftijd veranderen er een aantal dingen in het leven van de hond. De basisstofwisseling neemt iets af met het ouder worden. Er is een grotere kans op overgewicht, deels door minder beweging. Ongeveer 25% van alle honden is te zwaar. Dit is een negatieve factor voor honden die met het ouder worden ook arthrose in de gewrichten ontwikkeld hebben. Dit kan een vicieuze cirkel worden waarbij minder bewegen leidt tot nog dikker worden, en dit weer leidt tot pijnlijkere gewrichten etc. Een energiearmer voer met meer vezels kan hierbij een oplossing zijn. De meeste seniorenvoeders voldoen aan deze voorwaarden.

Er zijn echter ook oudere honden met een ondergewicht, of omdat ze wel actief blijven, of omdat hun opname minder wordt. Minder opname van voer zonder onderliggende ziektes of aandoeningen kan te maken hebben met verminderde smakelijkheid.
De geur is hierbij een belangrijke factor voor de hond. Deze groep honden dient juist vetrijker gevoerd te worden. De behoefte aan eiwit bij de oudere hond is groter dan die bij een jonge uitgegroeide hond. Zeker diëten waarbij een verlaagd eiwitgehalte vanwege nierproblemen is voorgeschreven kunnen dan leiden tot tekorten.
Een gematigd eiwitgehalte is hierbij de oplossing (tot 30% van de droge stof). De totale weerstand van de hond wordt gemiddeld minder, en huid en beharing kunnen veranderen. Hiervoor kunnen in het voer bepaalde componenten, zoals extra antioxidanten, worden toegevoegd die de terugval hiervan zoveel mogelijk beperken. Zeker bij de kleinere rassen worden gebitsproblemen, grotendeels veroorzaakt door tandsteen, veelvuldig gezien. Deze hebben een uitgesproken invloed op de levensduur, maar op korte termijn kunnen zij ook de opname van voer ernstig benadelen. Er zijn inmiddels een aantal voeders op de markt die door hun typische samenstelling de nieuwvorming van tandplaques en tandsteen effectief tegengaan.

Hoe vaak voeren, hoeveel en hoe moeten we voeren?
Een pup begint het leven met op de eerste dag ongeveer elke twee uur melk tot zich te nemen. Naarmate dat de pup groeit wordt dit interval ruimer, en vanaf 2,5 tot 3 weken als ze het eerste vast voedsel bijgevoerd kunnen krijgen, wordt het interval nog ruimer, tot 6 maal per dag. Als de pup gespeend is en afgeleverd wordt aan de nieuwe eigenaar, zo op 8 tot 10 weken, dan is de voerfrequentie meestal nog 4 x verdeeld over de dag. Vanaf 6 maanden kan je volstaan met het definitieve 2 x per dag. Minder is niet aan te raden vanwege het grotere risico op maagdarmstoornissen zoals een maagdilatatie/maagdraaing.
De hoeveelheid wordt in eerste instantie aangegeven op het pak, echter in de praktijk blijkt dat dit voor de meeste honden teveel is. Weeg het voer eens af; een veelgehoord antwoord op onze praktische vraag hoeveel de hond eet, is een hoeveelheid kommen of voerbakken. Daar kun je weinig mee. Voer daarnaast altijd met de ogen, en hou het gewicht en conditie van de hond nauwlettend in de gaten.
Realiseer dat als er meerdere honden of katten zijn dat de honden uit elkaars voerbak kunnen eten. Ook de plaats in de roedel kan hierbij een rol spelen. Zoals we hierboven al gezien hadden speelt de geur van het voer een grote rol bij de opname. Er is een aantal mogelijkheden om de smakelijkheid te vergroten: altijd vers voer geven, niet direct gegeten voer wegnemen, het droogvoer vochtig maken en opwarmen tot lichaamstemperatuur. Een vetrijk voer is over het algemeen smakelijker dan vetarm.

Conclusie

Het is voor u als individuele hondeneigenaar vrijwel ondoenlijk de kwaliteit en samenstelling van voeders te vergelijken en te beoordelen. Je kunt vooral beoordelen of je eigen hond het smakelijk vindt, hij goed in conditie blijft en normale ontlasting heeft. Dit geldt ook voor voer dat ontwikkeld is voor speciale doelgroepen. Mochten er problemen of onduidelijkheden zijn over het voer of het voeren dan is het raadzaam hiervoor deskundig advies in te winnen.

Adres

Bosweg 2
3651 LV Woerdense Verlaat
+31 (0)172 409 437
secretaris

Vereniging "De Drentsche Patrijshond"

  • opgericht 5 Juni 1948

  • Koninklijk goedgekeurd, laatstelijk bij Koninklijk Besluit d.d. 28 augustus 1975

  • Erkend door de Raad van Beheer

  • Inschrijfnummer Kamer van Koophandel te Enschede (Ov.) onder nr. 40075145

De vereniging heeft als doel:

  • De instandhouding en verbetering van de Nederlandse staande jachthond de Drentsche Patrijshond, haar karakter, jachteigenschappen en verschijning, als omschreven in de rasstandaard

  • Het bevorderen van de gezondheid en het welzijn van de tot het ras behorende honden

  • Het bevorderen van het contact tussen fokkers, jagers en liefhebbers van Drentsche Patrijshonden